ECLI:NL:RVS:2024:399
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging tijdelijke bescherming vreemdeling op grond van EU-richtlijn
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 18 augustus 2023 bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van de vreemdeling op grond van Richtlijn 2001/55/EG per 4 september 2023 eindigt. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat de tijdelijke bescherming die aan derdelanders wordt geboden op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne en die zich voor 19 juli 2022 in Nederland hebben ingeschreven, niet voortijdig kan worden beëindigd. De bescherming loopt krachtens de Richtlijn Tijdelijke Bescherming door tot 4 maart 2024.
Op grond van deze overwegingen verklaart de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 18 augustus 2023. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.625,00 die de vreemdeling heeft gemaakt voor de beroepsmatige rechtsbijstand. De Afdeling benadrukt dat het aan de staatssecretaris is om te bepalen hoe de afloop van de tijdelijke bescherming aan de vreemdeling wordt meegedeeld.
Uitkomst: Het besluit van 18 augustus 2023 tot beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.