ECLI:NL:RVS:2024:4284
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J.W. van de Gronden
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Vermindering bestuurlijke boete wegens onvergunde omzetting woonruimte in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 10 december 2020 een bestuurlijke boete van €12.000 op aan appellant wegens de omzetting van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning, in strijd met artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014. Appellant, huurder van de woning, maakte bezwaar tegen de boete, maar dit werd door het college ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant gegrond en matigde de boete tot €9.000.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep en oordeelde dat het college terecht een boete mocht opleggen omdat appellant wist dat de kamerverhuur in strijd was met de regelgeving en desondanks doorging. De Afdeling verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en het argument dat eerst een waarschuwing had moeten worden gegeven. Wel werd de hoogte van de boete verder gematigd naar €4.750 vanwege het evenredigheidsbeginsel en een lichte overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin de boete op €9.000 werd vastgesteld en bepaalde dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt verminderd van €12.000 naar €4.750 wegens matiging en lichte overschrijding van de redelijke termijn.