ECLI:NL:RVS:2024:4210
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J.W. van de Gronden
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging bestuurlijke boete wegens illegale omzetting woonruimte in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellant een bestuurlijke boete van € 12.000,00 op wegens het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning, geconstateerd op 6 oktober 2020. Na bezwaar en beroep verklaarden de rechtbank en het college de boete in stand. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet als overtreder kon worden aangemerkt en dat de boete disproportioneel hoog was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant als eigenaar beschikkingsmacht had en de overtreding had aanvaard door het niet treffen van maatregelen ondanks kennis van de situatie. De verklaringen van bewoners in een op ambtsbelofte opgesteld rapport mochten als bewijs worden gebruikt. Wel stelde de Afdeling vast dat het boetestelsel van de Huisvestingsverordening Amsterdam onvoldoende onderscheid maakt tussen verschillende omstandigheden, waardoor het boetestelsel in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en onverbindend is.
De Afdeling vernietigde het eerdere besluit en stelde de boete zelf vast op € 5.000,00, passend en geboden gelet op de omstandigheden. Proceskosten en griffierecht werden aan appellant toegekend. De uitspraak benadrukt het belang van evenredigheid bij boetebepaling en bevestigt dat eigenaren verantwoordelijk kunnen zijn voor illegale omzetting van woonruimte, ook zonder directe huurontvangst of samenwerking met onderhuurders.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wegens illegale omzetting van woonruimte wordt gematigd tot € 5.000,00 en het eerdere besluit vernietigd.