ECLI:NL:RVS:2024:4335
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep verblijfsvergunning
Verzoeker had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank inzake zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Vervolgens trok hij het hoger beroep in en verzocht de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de proceskosten.
De Afdeling overwoog dat een proceskostenveroordeling kan worden toegewezen indien de minister aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of het belang bij een uitspraak op het hoger beroep door toedoen van de minister is vervallen. De minister had op 30 september 2024 het verzoek van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning ingewilligd, binnen de wettelijk toegestane beslistermijn van vijftien maanden.
De Afdeling verwees naar eerdere prejudiciële vragen over de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn met negen maanden, maar stelde dat op basis van de huidige stand van zaken rekening gehouden moet worden met de rechtmatigheid van deze verlenging. Daarom zag de Afdeling geen aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling van de minister wordt afgewezen.