ECLI:NL:RVS:2024:4336
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen na bezwaar en beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 maart 2022 de aanvraag van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar en beroep verklaarden zowel de staatssecretaris als de rechtbank het bezwaar en beroep ongegrond. De vreemdelingen stelden hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.
De Raad van State overwoog dat de eerste grief van de vreemdelingen geen vragen bevatte die relevant zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, zodat deze niet tot vernietiging leidde. Ten aanzien van de tweede grief oordeelde de Afdeling dat de minister zich deugdelijk had gemotiveerd dat er geen familieleven bestond tussen de vreemdelingen en de referent in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Hierdoor was een belangenafweging niet vereist.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 oktober 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.