Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2024:448

Raad van State

Datum uitspraak
5 februari 2024
Publicatiedatum
5 februari 2024
Zaaknummer
202400202/1/V3 en 202400202/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 91 Vw 2000Art. 92 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel en afwijzing voorlopige voorziening

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 17 november 2023 besloten om de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 2 januari 2024 ongegrond verklaarde.

Hiertegen heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat het geen aanleiding geeft tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, mede omdat de rechtsvraag reeds eerder door de Afdeling is beantwoord.

Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. De staatssecretaris is niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C.J. Borman op 5 februari 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

202400202/1/V3 en 202400202/2/V3.
Datum uitspraak: 5 februari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 januari 2024 in zaak nr. NL23.36366 en NL23.36367 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
a
Bij uitspraak van 2 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraken van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134, onder 4.4 tot en met 4.13, over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2024
47