ECLI:NL:RVS:2024:4710

Raad van State

Datum uitspraak
20 november 2024
Publicatiedatum
20 november 2024
Zaaknummer
202406915/1/V1 en 202406915/2/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 72 lid 3 Vw 2000Art. 85 Vw 2000Art. 92 Vw 2000
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing uitstel van vertrek vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 februari 2024 het verzoek van de vreemdeling om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 9 juli 2024 ongegrond werd verklaard door de minister. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit op 17 oktober 2024 ongegrond.

De vreemdeling stelde vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening in bij de voorzieningenrechter van de rechtbank en maakte bezwaar tegen zijn feitelijke uitzetting. Dit verzoek werd door de griffier doorgestuurd naar de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die exclusief bevoegd is in deze situatie.

De Afdeling constateerde dat het hoger beroep niet gericht was tegen de uitspraak van de rechtbank en dat de vreemdeling niet had toegelicht waarom deze uitspraak onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en legde de minister geen proceskosten op.

De Afdeling verwijst naar jurisprudentie waarin is bepaald dat het nationale grievenstelsel buiten toepassing kan worden gelaten bij schending van artikel 3 EVRM Pro, maar in deze zaak waren geen omstandigheden aanwezig die dat vereisten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

202406915/1/V1 en 202406915/2/V1.
Datum uitspraak: 20 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 oktober 2024 in zaak nr. NL24.30716 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 9 juli 2024 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. Y.M. Schrevelius, advocaat in Rotterdam, heeft krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke uitzetting en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft het verzoek ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van de rechtbank ingediend, terwijl bij de Afdeling hoger beroep openstond tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 oktober 2024 in de procedure over het besluit van 9 juli 2024. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van de Afdeling, gelet op de uitspraak van 5 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353, onder 1, bij uitsluiting bevoegd om het bij de rechtbank ingediende verzoek in behandeling te nemen en staat tegen de feitelijke uitzetting geen bezwaar open.
2.       Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van Pro de Vw 2000).
3.       De bestuursrechter moet een nationale procedureregel, in dit geval het grievenstelsel, buiten toepassing laten om een schending van artikel 3 van Pro het EVRM te voorkomen wanneer er omstandigheden zijn als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998, Bahaddar, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664, onder 6. In dit geval geeft het dossier geen blijk van Bahaddar-omstandigheden.
4.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2024
282-1034/1028