ECLI:NL:RVS:2024:4710
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing uitstel van vertrek vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 februari 2024 het verzoek van de vreemdeling om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 9 juli 2024 ongegrond werd verklaard door de minister. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit op 17 oktober 2024 ongegrond.
De vreemdeling stelde vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening in bij de voorzieningenrechter van de rechtbank en maakte bezwaar tegen zijn feitelijke uitzetting. Dit verzoek werd door de griffier doorgestuurd naar de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die exclusief bevoegd is in deze situatie.
De Afdeling constateerde dat het hoger beroep niet gericht was tegen de uitspraak van de rechtbank en dat de vreemdeling niet had toegelicht waarom deze uitspraak onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en legde de minister geen proceskosten op.
De Afdeling verwijst naar jurisprudentie waarin is bepaald dat het nationale grievenstelsel buiten toepassing kan worden gelaten bij schending van artikel 3 EVRM Pro, maar in deze zaak waren geen omstandigheden aanwezig die dat vereisten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.