Uitspraak
202301906.202301906/1/A3.
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer
Raad van State
Appellante verzocht de deken op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet om handhavend op te treden tegen een rechtsbijstandverlener vanwege slechte beroepsuitoefening. De deken verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk en handhaafde dit besluit in bezwaar. De rechtbank oordeelde dat de reactie van de deken geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.
Appellante stelde dat het besluit wel bestuursrechtelijk is en dat de rechtbank ambtshalve de rechtsgronden had moeten aanvullen. Zij betoogde ook dat de deken vooringenomen is en dat de bestuursrechtelijke procedure het enige rechtsmiddel is. De deken stelde dat handhaving van advocatennormen zowel tuchtrechtelijk als bestuursrechtelijk kan plaatsvinden, maar dat artikel 46 van Pro de Advocatenwet alleen tuchtrechtelijke handhaving mogelijk maakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat het verzoek van appellante geen bestuursrechtelijk besluit oplevert en dat zij voldoende rechtsmiddelen heeft via de tuchtrechtelijke procedure. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het verzoek om handhavend op te treden niet-ontvankelijk is.