ECLI:NL:RVS:2024:4887
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- A. Kuijer
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens gevaar voor openbare orde na veroordeling mishandeling
Appellant, van Syrische nationaliteit en houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, verzocht om naturalisatie samen met zijn partner en stiefkinderen. De staatssecretaris wees zijn verzoek af vanwege een ernstige verdenking dat appellant een gevaar vormt voor de openbare orde, gebaseerd op een veroordeling voor mishandeling in 2019.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het strafbare feit gering was en dat culturele verschillen en persoonlijke omstandigheden bijzondere omstandigheden vormden die tot een ander oordeel moesten leiden. Ook voerde hij aan dat de afwijzing disproportioneel was en dat toetsing aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel had moeten plaatsvinden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht het beleid toepaste dat taakstraffen vanaf 36 uur tegen worden geweerd en dat de veroordeling en de nog niet verstreken rehabilitatietermijn een afwijzing rechtvaardigen. De aangevoerde bijzondere omstandigheden en bezwaren tegen de procedure werden verworpen. Toetsing aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel was niet vereist omdat appellant geen EU-nationaliteit heeft.
De Afdeling bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder proceskosten toe te kennen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd.