ECLI:NL:RBROT:2025:4402
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek naturalisatie wegens verblijfsgat en toepassing Rijkswet Nederlanderschap
Eiser heeft op 28 maart 2023 een verzoek om naturalisatie ingediend, dat door de minister is afgewezen vanwege het ontbreken van onafgebroken verblijf van vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, veroorzaakt door een verblijfsgat tussen 1 december 2020 en 15 februari 2021.
Dit verblijfsgat ontstond doordat de onderwijsinstelling een verkeerd formulier indiende voor de verlenging van de verblijfsvergunning. Eiser heeft tegen de ingangsdatum van de nieuwe verblijfsvergunning geen bezwaar gemaakt, waardoor deze datum in rechte vaststaat.
Eiser voerde aan dat het evenredigheidsbeginsel van het Unierecht toegepast moet worden en dat de afwijzing onredelijk is vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en administratieve fouten van de onderwijsinstelling. De rechtbank oordeelt dat het Unierecht niet van toepassing is op naturalisatieprocedures en dat het verblijfsgat niet aan eiser kan worden toegerekend.
Ook een beroep op artikel 10 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap, dat afwijking van de wettelijke voorwaarden in bijzondere gevallen mogelijk maakt, slaagt niet. De minister heeft beoordelingsvrijheid en maakt terughoudend gebruik van deze uitzondering. De relatief korte duur van het verblijfsgat en de stress van eiser zijn onvoldoende om af te wijken.
Ten slotte mocht de minister afzien van het horen van eiser in bezwaar omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het naturalisatieverzoek.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om naturalisatie terecht afgewezen wegens verblijfsgat.