ECLI:NL:RVS:2024:5022
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank bepaalde op 30 juli 2024 dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De vreemdeling stelde vervolgens beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak tegen het uitblijven van een nieuw besluit binnen de gestelde termijn. Op 22 oktober 2024 nam de minister alsnog een besluit waarin het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard.
De Afdeling oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit niet-ontvankelijk is, omdat de vreemdeling geen belang meer heeft bij de beoordeling van dit beroep. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten vanwege het late besluit, maar omdat geen griffierecht is geheven, hoeft de minister dit niet te vergoeden.
De verdere behandeling van het hoger beroep van de minister tegen het besluit van 22 oktober 2024 zal plaatsvinden in een aparte procedure.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.