ECLI:NL:RVS:2019:665
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.W.M. Bijloos
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf en proceskostenvergoeding
De staatssecretaris heeft op 16 mei 2017 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het beroep alleen gericht was tegen het besluit van 24 april 2018.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard en dat de staatssecretaris ten onrechte niet was veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank had moeten vaststellen dat de vreemdeling wel degelijk tijdig beroep had ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en dat het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden omdat de staatssecretaris alsnog een besluit had genomen.
Verder stelde de Raad vast dat de staatssecretaris door het alsnog nemen van het besluit de vreemdeling tegemoet was gekomen, waardoor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb Pro gerechtvaardigd was. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het deze punten betrof, verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De overige grieven van de vreemdeling werden verworpen en de uitspraak van de rechtbank bleef voor het overige in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.