ECLI:NL:RVS:2024:5042

Raad van State

Datum uitspraak
4 december 2024
Publicatiedatum
6 december 2024
Zaaknummer
202407255/2/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep

De minister van Asiel en Migratie wees op 17 juli 2024 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 november 2024 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen en opvang en verstrekkingen te verkrijgen.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 4 december 2024 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van € 875,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak volgt de jurisprudentie van de Afdeling van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457) en bevestigt het belang van het voorkomen van onherstelbare gevolgen tijdens de procedure van hoger beroep in vreemdelingenzaken.

Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202407255/2/V1.
Datum uitspraak: 4 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 november 2024 in zaak nr. NL24.30635 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 6 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.       De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2024
392