ECLI:NL:RVS:2024:5117
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering vergunning omzetting zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte in Den Haag
Appellant, eigenaar van een pand in Den Haag, vroeg een vergunning aan om zelfstandige woonruimte om te zetten in onzelfstandige woonruimte voor zes personen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag op 1 maart 2021 af, met verwijzing naar artikel 5:5 van Pro de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (versie 3) en het gewijzigde beleid dat een omzettingsvergunning kan worden geweigerd bij onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefmilieu.
De rechtbank toetste de vergunningplicht in de Huisvestingsverordening en oordeelde dat de gemeenteraad bevoegd was deze voor de hele gemeente in te stellen, mede onderbouwd door een notitie over schaarste aan woonruimte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en overwoog dat ook bij een nieuw besluit de vergunning geweigerd zou worden.
In het hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de vergunningplicht onterecht was en dat de weigering in strijd was met het legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze gronden en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens wees de Afdeling het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de totale procedure binnen vier jaar was afgerond.
De Afdeling benadrukte dat de motivering van de vergunningplicht en de weigering op grond van schaarste voldoende waren onderbouwd en dat de nadere beleidsregels en overgangsbepalingen correct waren toegepast. Het hoger beroep is daarmee ongegrond verklaard en de weigering van de omzettingsvergunning blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omzettingsvergunning bevestigd.