ECLI:NL:RVS:2024:5362
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- N. Verheij
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet aannemelijk gemaakte familierechtelijke relatie
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 28 februari 2022 de aanvraag van een Eritrese vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdeling, die bij zijn moeder in Nederland wilde verblijven, werd niet erkend als nareiziger omdat hij zijn identiteit en familierechtelijke relatie met de referent niet aannemelijk had gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat altijd een belangenafweging moet plaatsvinden bij afwijzing van een nareisaanvraag en dat de minister terecht alleen de referent had gehoord in de bezwaarfase. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en behandelde het beroep zelf.
De Afdeling overwoog dat de vreemdeling niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid omdat hij in zijn eigen onderhoud voorziet, ondanks dat het werk onregelmatig en illegaal was. Ook is er geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de vreemdeling en de referent die verder gaan dan emotionele banden. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag gehandhaafd.