ECLI:NL:RVS:2024:547
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging tijdelijke bescherming vreemdeling op grond van EU-richtlijn
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had bij besluit van 17 augustus 2023 bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van de vreemdeling, gebaseerd op Richtlijn 2001/55/EG, per 4 september 2023 zou eindigen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de tijdelijke bescherming van derdelanders die rechtmatig in Oekraïne verbleven en zich voor 19 juli 2022 in Nederland hadden ingeschreven, niet per 4 september 2023 kon worden beëindigd. De bescherming is immers geboden krachtens de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en moet worden gehandhaafd tot de in die richtlijn genoemde datum van 4 maart 2024.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en het besluit van 17 augustus 2023 vernietigd. De staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.625,00. De Afdeling liet het verder aangevoerde buiten beschouwing en bepaalde dat het aan de staatssecretaris is om de beëindiging van de bescherming op passende wijze aan de vreemdeling mede te delen.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.