ECLI:NL:RVS:2024:623
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering verbeurde dwangsommen bodemonderzoek perceel Mariënberg
Het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg legde op 30 mei 2018 aan appellant een last onder dwangsom op om binnen twaalf weken een bodemkwaliteitsrapport te overleggen. Bij het niet tijdig en niet voldoen aan de eisen van het rapport werden dwangsommen opgelegd, die uiteindelijk opliepen tot negen verbeurde dwangsommen van € 9.000.
Appellant diende een eerste rapport te laat en dat voldeed niet aan de NEN-normen. Pas na een lange periode werd een aanvullend rapport ingediend dat aan de eisen voldeed. Het college vorderde de dwangsommen in, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank oordeelde dat de invordering terecht was en dat de verantwoordelijkheid voor tijdige en juiste naleving bij appellant lag.
In hoger beroep betoogde appellant dat sprake was van overmacht en dat het college het doel van de dwangsom miskende door invordering na nakoming. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de bevoegdheid tot invordering was verjaard, maar dat het procesbelang lag in vergoeding van proceskosten. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om van invordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsommen bevestigd.