ECLI:NL:RVS:2024:654
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing opheffing inreisverbod
De vreemdeling had bij besluit van 8 november 2022 verzocht om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod, maar dit verzoek werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. De rechtbank verklaarde het door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris het inreisverbod op 31 mei 2023 opgeheven. De vreemdeling handhaafde zijn hoger beroep en voerde aan dat hij nog procesbelang had, onder meer vanwege een verzoek om vergoeding van proceskosten en geleden schade door gemiste werkgelegenheid in Frankrijk en Griekenland.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het doel van de procedure, het opheffen van het inreisverbod, inmiddels is bereikt. De gestelde schade en het verzoek om proceskostenvergoeding bieden geen aanleiding tot inhoudelijke behandeling, mede omdat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van het bestuursbesluit. Ook is geen aanleiding om de staatssecretaris tot proceskostenvergoeding te veroordelen, aangezien deze het besluit tot opheffing heeft genomen naar aanleiding van een nieuw verzoek met alle benodigde bewijsstukken.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het inreisverbod inmiddels is opgeheven en er geen belang meer bestaat bij verdere behandeling.