ECLI:NL:RVS:2024:742
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wegens ontbreken legaal verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 september 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen af. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 18 november 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond op 2 juni 2022. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling stelde dat haar verblijf tussen 4 en 13 november 2020 als rechtmatig moest worden beschouwd, omdat de beroepstermijn tegen een eerdere afwijzing toen nog liep. De Raad van State oordeelde dat hiervoor geen rechtsgrond bestaat in de Richtlijn 2003/109/EG, de Vreemdelingenwet 2000 of de daarop gebaseerde regelgeving. Het enkele feit dat in sommige gevallen schorsende werking wordt toegekend na het instellen van beroep, betekent niet dat zonder beroep al sprake is van rechtmatig verblijf.
De Raad van State bevestigde dat de vreemdeling in de vijf jaar voorafgaand aan haar aanvraag op 4 maart 2021 niet ononderbroken legaal in Nederland verbleef zoals vereist. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene bevestigd.