ECLI:NL:RVS:2024:784

Raad van State

Datum uitspraak
26 februari 2024
Publicatiedatum
26 februari 2024
Zaaknummer
202307880/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91, tweede lid, Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring vreemdeling door Raad van State na hoger beroep

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling bij besluit van 29 november 2023 in bewaring. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De vreemdeling ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, zoals bedoeld in artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens zag de Afdeling geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 26 februari 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202307880/1/V3.
Datum uitspraak: 26 februari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 december 2023 in zaak nr. NL23.37807 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij uitspraak van 21 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Rasul, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:775, onder 2.1, over het begin van de termijn van overbrenging naar een speciale inrichting voor vreemdelingenbewaring). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2024
18-1073