ECLI:NL:RVS:2025:1197

Raad van State

Datum uitspraak
21 maart 2025
Publicatiedatum
20 maart 2025
Zaaknummer
202400182/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awbartikel 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf

De referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor een vreemdeling. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig nemen van het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen twintig weken een besluit moest nemen.

Tegen deze uitspraak stelde de referent hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden.

Daarom bevestigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee blijft de verplichting van de staatssecretaris om binnen de gestelde termijn een besluit te nemen onverminderd van kracht.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202400182/1/V1.
Datum uitspraak: 21 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2023 in zaak nr. NL23.33516 in het geding tussen:
referent
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 11 december 2023 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt.
Tegen deze uitspraak heeft referent, vertegenwoordigd door mr. H.M.A. Breuls, advocaat in Dalfsen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat onder meer over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraken van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2644, onder 5.4, 6 en 7, over de beslistermijn die de rechter oplegt bij een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een nareisaanvraag, en ECLI:NL:RVS:2024:2642, onder 2.3, over de vraag wanneer deze beslistermijn ingaat). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2025
574-1060