Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
eersteasielaanvraag en dat de (alsnog) verantwoordelijke lidstaat niet de bevoegdheid heeft om de betreffende vreemdeling een nieuw verzoek te laten indienen. De rechtbank kan noch uit de Dublinverordening, noch uit de Procedurerichtlijn8 verder afleiden dat als de overdrachtstermijn verstrijkt nadat de procedure in verband met het eerste asielverzoek is beëindigd, de besluitvorming op het eerste asielverzoek (ambtshalve) dient te worden ingetrokken en daarop opnieuw dient te worden beslist. Zoals hiervoor reeds is uiteengezet, heeft de staatssecretaris reeds onherroepelijk en in overeenstemming met de Dublinverordening op het eerste verzoek van eiseres beslist en staat dat ook al in rechte vast. Pas daarna is Nederland van rechtswege verantwoordelijk geworden voor de behandeling van het (opvolgende) asielverzoek van eiseres van 6 januari 2022, omdat de overdrachtstermijn op dat moment was verstreken. Op het eerdere, oorspronkelijke verzoek om internationale bescherming, die van 5 maart 2019, kon op dat moment niet meer worden beslist, omdat dat verzoek al was afgehandeld en het besluit hierop in rechte vaststond. Het enige verzoek waar op dat moment nog op kon en moest worden beslist, was het (opvolgende) verzoek van 6 januari 2022. Dat er niet inhoudelijk is beslist op de eerste asielaanvraag van 5 maart 2019, maakt dit niet anders. De rechtbank acht bij het voorgaande verder van belang dat indien de uitleg van eiseres gevolgd zou worden, dit zou kunnen betekenen dat vreemdelingen – zonder gevolgen voor de ingangsdatum van een eventuele verblijfsvergunning asiel - kunnen gaan “forum shoppen” door na een geaccepteerd overnameverzoek 18 maanden onder te duiken, terwijl de Dublinverordening juist bedoeld is om “forum shopping” te voorkomen.9 In dit geval was het dus aan eiseres om te bewerkstelligen dat de besluitvorming op het eerste verzoek werd ingetrokken dan wel herroepen als zij met ingang van de datum van dat verzoek een asielvergunning wenste. De omstandigheid dat andere zittingsplaatsen van deze rechtbank, waaronder zittingsplaats Roermond10 anders hebben geoordeeld, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.