ECLI:NL:RVS:2025:1595
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens niet-herstel gebreken kozijnen woning Utrecht
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde appellant op 19 januari 2022 een last onder dwangsom op om gebreken aan de kozijnen van zijn woning te herstellen vóór 1 mei 2022. Dit besluit werd onherroepelijk omdat geen rechtsmiddel werd ingesteld. Op 2 mei 2022 constateerde de gemeente dat appellant niet had voldaan aan deze last. Vervolgens besloot het college op 23 maart 2023 tot invordering van de verbeurde dwangsom van €5.000.
Appellant voerde aan dat hij de staat van de achtergevel correct vond en dat er geen klachten waren ontvangen over de kozijnen. Tevens stelde hij dat het college niet handhavend optreedt tegen vergelijkbare panden in de omgeving, wat strijd zou opleveren met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat appellant niet had betwist dat de kozijnen niet in orde waren en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij na het verbeuren van de dwangsom veel verbeteringen had aangebracht, waaronder geluidsisolatie ten behoeve van de onderbuurman, en dat invordering van de dwangsom nutteloos zou zijn omdat herhaling is uitgesloten. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het belang van invordering zwaarwegend is en dat alleen in bijzondere omstandigheden van invordering kan worden afgezien. Aangezien appellant niet had voldaan vóór de controle en de aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormden, werd het hoger beroep ongegrond verklaard.
De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom van €5.000 wordt bevestigd.