ECLI:NL:RVS:2025:172

Raad van State

Datum uitspraak
22 januari 2025
Publicatiedatum
20 januari 2025
Zaaknummer
BRS24000444
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet toewijzen proceskosten bij onrechtmatig gebruik handboeien

De minister van Asiel en Migratie stelde de vreemdeling op 30 oktober 2024 in bewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten, ondanks het onrechtmatig gebruik van handboeien tijdens de overbrenging van de vreemdeling. De Afdeling verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin vergelijkbare situaties tot een proceskostenveroordeling leidden.

De overige grieven van de vreemdeling leiden niet tot vernietiging van het vonnis, omdat deze geen vragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. De bewaring zelf wordt ambtshalve niet onrechtmatig bevonden.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het deel van de uitspraak waarin de proceskosten niet zijn toegewezen, bevestigt het overige en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van zowel het beroep als het hoger beroep, met een lichte wegingsfactor vanwege de beperkte aard van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitspraak

BRS.24.000444
Datum uitspraak: 22 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 november 2024 in zaak nr. NL24.42527 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2024 heeft de minister de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 18 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.J.L. van de Glind, advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.In grief 1 betoogt de vreemdeling terecht dat het oordeel van de rechtbank dat het gebruik van handboeien tijdens de overbrenging niet rechtmatig is geweest tot een proceskostenveroordeling had moeten leiden. De rechtbank had aanleiding moeten zien om de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat het gebrek betrekking heeft op de staandehouding, overbrenging en ophouding van de vreemdeling. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 3 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1498, onder 2.2, en 12 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2738, onder 2.1. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet gedaan.
2.Wat de vreemdeling verder in de grieven 2 en 3 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover daarbij de minister niet is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van het beroep van de vreemdeling. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden. De Afdeling past bij de proceskosten voor het hoger beroep een wegingsfactor licht (factor 0,5) toe, omdat het hoger beroep alleen gaat over de proceskostenveroordeling en van eenvoudige aard is.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.verklaart het hoger beroep gegrond;
II.vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 november 2024 in zaak nr. NL24.42527, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV.veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1360,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025
47-1137