ECLI:NL:RVS:2025:2231
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen bewaring en proceskostenvergoeding in vreemdelingenrecht
Appellant werd bij besluit van 13 januari 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State constateerde dat het recht op rechtsbijstand van appellant was geschonden doordat de minister onvoldoende had gedaan om de voorkeursadvocaat van appellant tijdig te informeren. Dit gebrek betrof het voortraject van het gehoor bij de bewaring. Hoewel dit niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring zelf, was de belangenafweging in het voordeel van de minister. Appellant was niet zonder rechtsbijstand, omdat een piketadvocaat aanwezig was, al kon deze niet bij het gehoor zijn.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding had toegekend aan appellant vanwege dit gebrek. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betrof, en bevestigd voor het overige. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant ad € 1.814,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ad € 1.814,00, het vonnis van de rechtbank wordt verder bevestigd.