ECLI:NL:RVS:2025:248

Raad van State

Datum uitspraak
22 januari 2025
Publicatiedatum
24 januari 2025
Zaaknummer
202500059/3/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M. Den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 72, derde lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling na afwijzing verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie heeft op 8 november 2024 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 27 december 2024 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat eveneens op 20 januari 2025 ongegrond werd verklaard.

De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet zou worden uitgezet totdat op zijn bezwaarschrift tegen de feitelijke uitzetting was beslist. De voorzieningenrechter kwalificeerde het bezwaar als een verzoek om voorlopige voorziening en overwoog dat de aangevoerde gronden onvoldoende waren om de rechtmatigheid van de voorgenomen uitzetting ter discussie te stellen.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 22 januari 2025 door voorzieningenrechter M. Den Heyer in aanwezigheid van griffier K. Veen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting van de vreemdeling wordt afgewezen.

Uitspraak

202500059/3/V2.
Datum uitspraak: 22 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 december 2024 in zaak nr. NL24.44923 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 27 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling het tegen deze uitspraak door de vreemdeling ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
Bij brief van 21 januari 2025 heeft de minister het door de vreemdeling onder verwijzing naar artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 gemaakte bezwaar tegen zijn feitelijke uitzetting doorgezonden aan de Afdeling.
Overwegingen
1.       De voorzieningenrechter van de Afdeling merkt het doorgezonden bezwaar aan als verzoek om een voorlopige voorziening. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, en van 5 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353. Dit betekent dat de vreemdeling de voorzieningenrechter heeft verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet totdat op het bezwaarschrift is beslist.
2.       Gelet op wat in de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025 in zaken nrs. 202500059/1/V2 en 202500059/2/V2 is overwogen en omdat wat de vreemdeling in zijn verzoek heeft aangevoerd geen grond biedt om niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen uitzetting uit te gaan, wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
3.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025
986