ECLI:NL:RVS:2025:2484
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel minderjarige Somalische betrokkene
Betrokkene, een minderjarige Somalische asielzoeker, diende op 16 maart 2022 een asielaanvraag in die door de staatssecretaris werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor vervolging. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat betrokkene voldoende had meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang in Somalië en dat nader onderzoek geen resultaat meer zou opleveren.
De minister stelde in hoger beroep dat betrokkene gedurende het gehele onderzoek onvoldoende meewerkte, met name vanwege zijn vrees voor een persoon uit zijn familie, waardoor het onderzoek niet kon worden afgerond. De Raad van State oordeelde dat de minister terecht stelde dat betrokkene onvoldoende actief en volledig meewerkte, mede gelet op de adviezen van hulporganisaties en het proces-verbaal van bevindingen.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond. Tevens oordeelde de Raad dat de minister niet verplicht is betrokkene een verblijfsvergunning te verstrekken in het kader van het buitenschuldbeleid, nu betrokkene tijdens de procedure meerderjarig is geworden. De minister mag een terugkeerbesluit nemen, met inachtneming van het non-refoulementbeginsel.
Betrokkene stelde dat hij uit een ander Somalisch dorp afkomstig was dan door de minister aangenomen, maar de Raad vond deze stelling onvoldoende onderbouwd en handhaafde de beoordeling van de minister. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.