ECLI:NL:RVS:2025:2687

Raad van State

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
15 juni 2025
Zaaknummer
202408046/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:80b AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen plaatsing ondergrondse afvalcontainers in Rotterdam

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft bij besluit van 25 november 2024 vier locaties aangewezen voor het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers. Tegen dit besluit hebben twee groepen verzoekers beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De voorzieningenrechter behandelde de verzoeken op 15 mei 2025. Kort daarvoor had de Afdeling in een gerelateerde zaak (ECLI:NL:RVS:2025:2607) reeds een voorziening getroffen die het besluit schorst. Gezien deze eerdere schorsing wijst de voorzieningenrechter de huidige verzoeken af.

Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter het college tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker A en anderen, inclusief de kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand, en tot vergoeding van het griffierecht voor beide verzoekers. Hiermee wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, terwijl de procedurekosten voor de verzoekers worden vergoed.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

202408046/2/R1.
Datum uitspraak: 18 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:
1.       [verzoeker A] en anderen, allen wonend in Rotterdam,
2.       [verzoeker B] en anderen, allen wonend in Rotterdam,
verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2024 heeft het college de locaties Sint-Jobskade ter hoogte van huisnummer 50 (locatienummer 23.170), Müllerkade ter hoogte van huisnummer 183 (locatienummer 23.171), Sint-Jobskade ter hoogte van huisnummer 800 (locatienummer 23.184) en Sint-Jobskade ter hoogte van huisnummer 500 (locatienummer 24.362) aangewezen voor het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker A] en anderen en [verzoeker B] en anderen beroep ingesteld. Verder hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college en [verzoeker A] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 15 mei 2025, waar [verzoeker A] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. P.A. van Lange, advocaat te Rotterdam, [verzoeker B] en anderen, vertegenwoordigd door [verzoeker B], en vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W. de Jong en D.F. Cairo, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       In de uitspraak van vandaag in zaak nr. 202408046/1/R1 (ECLI:NL:RVS:2025:2607), heeft de Afdeling een voorziening getroffen als bedoeld in artikel 8:80b, derde lid, van de Awb, inhoudende dat het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 25 november 2024 tot vaststelling van locaties voor het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers met locatienummers 23.170, 23.171, 23.184 en 24.362 wordt geschorst.
2.       Gelet hierop wijst de voorzieningenrechter de verzoeken af.
3.       Nu de verzoeken worden afgewezen omdat de Afdeling al de hiervoor genoemde voorziening heeft getroffen, moet het college in de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        wijst de verzoeken af;
II.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [verzoeker A] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.831,33, waarvan € 1.814,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
III.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam het voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
- € 187,00 voor [verzoeker A] en anderen, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 187,00 voor [verzoeker B] en anderen, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Lammers, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Lammers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2025
890