ECLI:NL:RVS:2025:6145

Raad van State

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
202408046/4/R1 en 202500018/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke rechtszaak over de aanwijzing van locaties voor ondergrondse afvalcontainers in Rotterdam

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 17 december 2025 uitspraak gedaan over de aanwijzing van locaties voor ondergrondse afvalcontainers (ORAC’s) door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. De zaak betreft een beroep van drie appellanten, allen wonend in Rotterdam, tegen een besluit van het college van 25 november 2024, waarin vier locaties zijn aangewezen voor de plaatsing van deze containers. De appellanten hebben in hun beroepen aangevoerd dat het besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het college niet duidelijk heeft gemaakt welke locaties precies zijn aangewezen en op basis van welke overwegingen. De Afdeling heeft in een tussenuitspraak van 18 juni 2025 het college opgedragen om het geconstateerde gebrek in het besluit te herstellen. In het herstelbesluit van 4 augustus 2025 heeft het college de locaties opnieuw vastgesteld en gemotiveerd waarom deze locaties zijn gekozen. De appellanten hebben hiertegen opnieuw beroep ingesteld, maar de Afdeling heeft geoordeeld dat het college aan de opdracht in de tussenuitspraak heeft voldaan. De Afdeling heeft de beroepen van de appellanten tegen het herstelbesluit ongegrond verklaard, omdat de aangewezen locaties geschikt zijn voor de plaatsing van de ORAC’s en het college de belangen van de bewoners voldoende heeft afgewogen. De Afdeling heeft het oorspronkelijke besluit van 25 november 2024 vernietigd, maar het herstelbesluit van 4 augustus 2025 bevestigd. De proceskosten van de appellanten zijn door het college vergoed.

Uitspraak

202408046/4/R1 en 202500018/2/R1.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.       [appellant A] en anderen, allen wonend in Rotterdam,
2.       [appellant B] en anderen, allen wonend in Rotterdam,
3.       [appellant C], wonend in Rotterdam,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2607, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 25 november 2024 te herstellen. In dat besluit heeft het college de locaties Sint-Jobskade ter hoogte van huisnummer 50 (locatienummer 23.170), Müllerkade ter hoogte van huisnummer 183 (locatienummer 23.171), Sint-Jobskade ter hoogte van huisnummer 800 (locatienummer 23.184) en Sint-Jobskade ter hoogte van huisnummer 500 (locatienummer 23.362) aangewezen voor het plaatsen van (ondergrondse) containers voor de inzameling van huishoudelijk afval (hierna: ORAC’s).
Bij beschikking van 1 augustus 2025, nrs. 202408046/5/R1 en 202500018/3/R1, is de in de tussenuitspraak bepaalde termijn verlengd tot en met 6 augustus 2025.
Bij besluit van 4 augustus 2025 (hierna: het herstelbesluit) heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak het aanwijzingsbesluit gewijzigd vastgesteld om het gebrek in de tussenuitspraak te herstellen.
Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] een zienswijze daarop ingediend.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
De tussenuitspraak en conclusie beroepen
1.       In de tussenuitspraak heeft de Afdeling naar aanleiding van de beroepen van [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] in overweging 3.1 geoordeeld dat het besluit van 25 november 2024 in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is. De reden hiervoor is dat uit het besluit van 25 november 2024 niet duidelijk valt af te leiden welke locaties het college voor het plaatsen van de ORAC’s uiteindelijk heeft willen aanwijzen en op grond van welke redenen.
2.       Uit het voorgaande volgt dat de beroepen van [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] tegen het besluit van 25 november 2024 gegrond zijn. In verband met de aard van het geconstateerde gebrek heeft de Afdeling de overige betogen van [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] in de tussenuitspraak onbesproken gelaten. Het besluit van 25 november 2024 moet worden vernietigd.
Het herstelbesluit
Beroepen van rechtswege
3.       In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om met inachtneming van overweging 3.1 het gebrek in het besluit van 25 november 2024 te herstellen door in een herstelbesluit duidelijk aan te geven welke locaties het aanwijst en op grond van welke redenen.
4.       Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak in het herstelbesluit, aan de hand van kaartmateriaal, aangegeven welke locaties het aanwijst en per locatie gemotiveerd waarom voor de desbetreffende locatie is gekozen. Met het herstelbesluit heeft het college het besluit van 25 november 2024 gewijzigd. Dit herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), geacht onderwerp te zijn van dit geding. Dit betekent dat de beroepen van [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] van rechtswege mede gericht zijn tegen het herstelbesluit.
5.       De Afdeling zal eerst aan het de hand van de door [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] tegen het herstelbesluit naar voren gebrachte zienswijzen beoordelen of het college heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak. Daarna zal de Afdeling de beroepsgronden die in de tussenuitspraak onbesproken zijn gelaten beoordelen.
Beoordelingskader
6.       Bij de keuze van een locatie voor een ORAC moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC.
7.       Het college heeft bij de aanwijzing van de locaties voor de ondergrondse containers de uitgangspunten zoals neergelegd in de Richtlijn "Toegankelijke Buitenruimte" van 2 mei 2018, het "Programma van eisen locaties ondergrondse containers" uit 2018 en de "Grondstoffennota 2023-2026" gehanteerd.
Beoordeling van de beroepen
Omvang van het geding
8.       De Afdeling stelt vast dat in het besluit van 4 augustus 2025 waar het in deze procedure over gaat alleen de concrete locaties met nummer 23.170, 23.171, 23.184 en 23.362 zijn aangewezen. De door [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] in hun zienswijze aan de orde gestelde locatie voor het plaatsen van een groente-, fruit- en etensrestencontainer, waarover zij in een brief van de gemeente van 18 augustus 2025 geïnformeerd zijn, maakt geen deel uit van dit besluit. De Afdeling zal ook niet ingaan op hetgeen [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] over die locatie hebben aangevoerd.
Inspraak
9.       [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] betogen dat de besluitvorming onzorgvuldig is verlopen, omdat bewoners niet adequaat zijn geïnformeerd en ook niet zijn betrokken bij het proces. Er is weliswaar een informatieavond georganiseerd, maar ook daar was van daadwerkelijke inspraak geen sprake.
9.1.    Het besluit van 25 november 2024 is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Het college heeft op de juiste wijze toepassing gegeven aan die afdeling. Niet is gebleken dat het anders is gelopen. Het ontwerp van het plaatsingsplan is ter inzage gelegd en er is aan belanghebbenden gelegenheid geboden tot het naar voren brengen van zienswijzen. Dat hebben [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] ook gedaan. Voor zover de zienswijze van [gemachtigde A] en de zienswijze van [appellant C] niet zijn betrokken in de Nota van beantwoording van zienswijzen, wijst de Afdeling naar overweging 10.1 hierna. Voor het overige is niet gebleken dat de zienswijzen van [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen in de Nota van beantwoording van zienswijzen onvoldoende zijn behandeld. Anders dan [appellant B] en anderen betogen, bestaat er voor het persoonlijk toesturen van de nota van zienswijzen geen wettelijke verplichting. Het voorafgaand aan de ontwerpfase plegen van overleg met omwonenden maakt geen deel uit van de procedure van afdeling 3.4 van de Awb. Dat [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] meer bij de keuze voor een locatie betrokken hadden willen zijn, is begrijpelijk, maar het college heeft voldaan aan de eisen die de wet aan de voorbereiding van de besluitvorming heeft gesteld. Wat [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] hebben aangevoerd over het gebrek aan bewonersparticipatie en een onzorgvuldige voorbereiding, heeft dan ook geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het aanwijzingsbesluit. Waar [appellant B] en anderen in dit kader aanvoeren dat het college heeft gehandeld in strijd met het gemeentelijk participatiebeleid, overweegt de Afdeling dat [appellant B] en anderen niet concreet hebben gemaakt op welk punt daarvan sprake zou zijn. De Afdeling ziet, gelet op het voorgaande, in het aangevoerde op dit punt geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is verlopen.
De betogen slagen niet.
Niet betrokken zienswijzen
10.     [appellant A] en anderen en [appellant C] voeren aan dat ten onrechte niet is gereageerd op de zienswijze van [gemachtigde A] en de zienswijze van [appellant C].
10.1.  In verschillende e-mails van 25 januari 2025 van [gemachtigde B] aan [gemachtigde A] en de gemachtigde van [appellant C] is vermeld dat het college ten onrechte niet heeft gereageerd op de zienswijze van [gemachtigde A] en [appellant C]. Daarnaar gevraagd op de zitting heeft het college dit ook erkend. Daarmee staat vast dat het juist is dat het college in de Nota van beantwoording van zienswijzen niet heeft gereageerd op de zienswijze van [gemachtigde A] en zienswijze van [appellant C]. De Afdeling ziet dan ook aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid.
10.2.  De Afdeling ziet wel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden op dit punt niet zijn benadeeld. Daarover overweegt de Afdeling dat het college in het verweerschrift alsnog inhoudelijk op hun betogen is ingegaan en zij de mogelijkheid hebben gehad daarop te reageren. De Afdeling overweegt dat aannemelijk is dat eventuele andere belanghebbenden door deze gang van zaken niet zijn benadeeld.
Is het herstelbesluit op de juiste wijze hersteld en voorbereid?
11.     [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] betogen dat het college niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling en het herstelbesluit alleen al daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Zij voeren in dat verband aan dat het college zich heeft beperkt tot het bijvoegen van kaartmateriaal en het geven van een motivering voor het aanwijzen van de oorspronkelijk beoogde locaties. Ten onrechte heeft het college in het herstelbesluit er geen blijk van gegeven met inachtneming van de belangen van bewoners andere locaties dan de oorspronkelijk beoogde locaties te hebben overwogen. Verder wijzen [appellant B] en anderen erop dat het kaartmateriaal onvoldoende duidelijk aangeeft welke locaties exact worden aangewezen. Ook voeren [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen aan dat de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb ten onrechte niet opnieuw is doorlopen.
11.1.  De Afdeling stelt vast dat het college in het herstelbesluit op het daarbij gevoegde kaartmateriaal heeft aangegeven welke locaties het aanwijst en heeft gemotiveerd waarom deze locaties zijn aangewezen. Dat het college bij het nemen van het herstelbesluit geen andere locaties dan de oorspronkelijk beoogde locaties heeft bezien, biedt geen grond voor het oordeel dat het college daarmee niet aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht heeft voldaan. Hierna zal de Afdeling wel aan de hand van de beroepsgronden beoordelen of de raad deugdelijk heeft gemotiveerd of de afzonderlijke aangewezen locaties geschikt zijn. Daarbij komen ook de door het college gemaakte afwegingen over de door appellanten genoemde alternatieve locaties aan de orde. [appellant B] en anderen hebben verder niet onderbouwd waarom het bij het herstelbesluit gevoegde kaartmateriaal onduidelijk of onvolledig zou zijn.
Op het punt dat [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen aanvoeren dat ten onrechte niet opnieuw de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb is doorlopen, overweegt de Afdeling dat in de tussenuitspraak is overwogen dat bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit afdeling 3.4 van de Awb juist niet opnieuw hoeft te worden doorlopen. Het college hoefde dus geen nieuw ontwerpbesluit ter inzage te leggen waarover zienswijzen konden worden ingediend.
De betogen slagen niet.
Heeft het college mogen besluiten dat op de Müllerpier gebruikt wordt gemaakt van ORAC’s voor de inzameling van huishoudelijk afval?
12.     [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] betogen dat het college ten onrechte heeft besloten dat op de Müllerpier de inpandige afvalvoorzieningen in de appartementencomplexen op de Müllerpier worden vervangen door ORAC’s, omdat deze omgeving niet geschikt is voor het plaatsen van ORAC’s en de huidige wijze van afvalinzameling voldoet. In dat verband wijzen zij op het handboek "de Rotterdamse stijl", de "Grondstoffennota 2023-2026", het "Actieplan Nota Samen SchoonR" van mei 2024 en de Groenvisie Müllerpier, waaruit onder meer volgt dat extra objecten in de buitenruimte en zwerfafval zoveel mogelijk teruggedrongen moeten worden, juist wordt ingezet op het uitbreiden van inpandige afvalvoorzieningen en op de Müllerpier meer groenvoorzieningen moeten worden aangelegd. Omdat het plaatsen van ORAC’s, anders dan inpandige afvalvoorzieningen, hieraan niet bijdragen, is het herstelbesluit volgens [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen in strijd met deze (beleids)documenten. Daarnaast is het herstelbesluit volgens [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen op dit punt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat op de Lloydpier de inpandige afvalvoorzieningen in de appartementencomplexen behouden blijven.
12.1.  Artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer luidt:
"De gemeenteraad stelt in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast."
Artikel 4 van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 luidt:
"1. De inzameling kan plaatsvinden via:
a. een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel;
b een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen;
c. een inzamelvoorziening op wijkniveau;
d. een gemeentelijk brengdepot op lokaal of regionaal niveau.
2. Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.
3. Het college kan plaatsen aanwijzen voor inzamelvoorzieningen ten behoeve van groepen percelen en kan regels stellen ten aanzien van de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen moeten worden aangeboden."
In het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2018 heeft het college de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 nader uitgewerkt.
12.2.  Het college heeft toegelicht dat er op de Müllerpier sinds de oplevering van diverse appartementencomplexen in 2019 twee inzamelsystemen zijn: inpandige afvalvoorzieningen en ORAC’s. Verder heeft het college erop gewezen dat er op de Lloydpier binnenkort appartementencomplexen opgeleverd worden zonder inpandige afvalvoorzieningen. Om de efficiëntie te verbeteren en de belasting van personeel te verlichten, is besloten om op de Müllerpier over te gaan op één inzamelsysteem, waarbij alleen ORAC’s in de buitenruimte worden gebruikt. Hiermee kan afval per afvalstroom in het vervolg met één inzamelwagen en één chauffeur worden opgehaald, zo heeft het college toegelicht. Bij brief van 1 oktober 2024, heeft het college de bewoners van de Müllerpier geïnformeerd over de voorgenomen wijziging van de inpandige afvalvoorzieningen naar ORAC’s.
12.3.  De gemeenteraad van Rotterdam heeft op grond van artikel 4, derde lid, van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aan het college de bevoegdheid toegekend om regels te stellen over de wijze van inzamelen van huishoudelijk afval. Het college is dus bevoegd om te bepalen welk inzamelmiddel voor huishoudelijk afval wordt gebruikt. Het college heeft daarnaar gevraagd op de zitting gezegd dat het geen afzonderlijk besluit waartegen beroep openstond heeft genomen over het soort inzamelmiddel dat op de Müllerpier wordt gebruikt. Het herstelbesluit strekt daarom niet alleen tot aanwijzing van locaties, maar ook tot aanwijzing van ORAC’s als inzamelmiddel voor huishoudelijk afval op de Müllerpier. Dat betekent dat de keuze om huishoudelijk afval op de Müllerpier via ORAC’s in te zamelen in deze procedure aan de orde kan komen. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 3 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:5, onder 6.1.
12.4.  De Afdeling overweegt dat de keuze van het college om huishoudelijk afval op de Müllerpier via ORAC’s in te zamelen in hoge mate politiek-bestuurlijk van aard is en dat de Afdeling deze keuze daarom alleen terughoudend kan toetsten. Vanwege de onder 12.2 vermelde toelichting hoefde het college bij zijn keuze geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de wens van [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] bij het behoud van inpandige afvalvoorzieningen. Het college mocht kortom het algemene belang hier voor laten gaan.
De beleidsdocumenten die [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen noemen, laten ruimte om voor de inzameling van afval via ORAC’s te kiezen.
Het college heeft op de zitting toegelicht dat in een volgende fase ook op de Lloydpier de inpandige afvalvoorzieningen zullen worden vervangen door ORAC’s, zodat er geen strijd met het gelijkheidsbeginsel is. De Afdeling volgt het college hierin.
De betogen slagen niet.
Vertrouwensbeginsel en locatie 23.171
13.     [appellant C] betoogt dat het college handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel door locatie 23.171 aan te wijzen. Zij wijst er in dit verband op dat [gemachtigde B] tijdens een gesprek bij haar thuis op 29 mei 2024 heeft gezegd dat de ORAC’s op die locatie containers tot op vier meter afstand van het nabijgelegen politiebureau zouden worden geplaatst en er extra groen om deze ORAC’s geplaatst zou worden. Ook wijst [appellant C] op een e-mail van diezelfde ambtenaar van 15 juli 2024, waarin dit is bevestigd.
13.1.  Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
De Afdeling constateert dat in de e-mal van [gemachtigde B] van 15 juli 2024 het volgende staat: "De toezegging blijft staan om de containers zover mogelijk als het kan te verplaatsen, met daarin rekening houdend met de wettelijke afstand tot de kabels en leidingen." Dit is dus geen toezeggingen over het aanwijzen van de locatie 23.171 tot op vier meter afstand van het nabijgelegen politiebureau en het plaatsen van extra groen om deze ORAC’s. Ook de tijdens een bezoek op 29 mei 2024 geuite verwachting over de locatie 23.171 is onvoldoende om te oordelen dat [appellant C] mocht aannemen dat zij hiermee een toezegging van het college had gekregen. Op die momenten was het ontwerpbesluit nog niet ter inzage gelegd en de zienswijzetermijn liep dus ook nog niet, zodat [appellant C] alleen al daarom moest weten dat naast het tijdens het gesprek besproken en in de e-mail benoemde scenario nog andere mogelijke locaties naar voren zouden kunnen komen op grond van onder andere de nog te ontvangen zienswijzen. Bij een besluit als dit is tenslotte een groot aantal belanghebbenden betrokken. Niet is gebleken van andere uitlatingen of gedragingen die kunnen worden aangemerkt als een toezegging aan [appellant C]. Het college heeft niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld door locatie 23.171 aan te wijzen zoals het heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Geschiktheid van de aangewezen locaties
14.     [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] betogen dat de aangewezen locaties niet geschikt zijn. [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen wijzen er in dit verband op dat het college de korte afstand tussen de ORAC’s met locatienummer 23.184 en de gevel van de nabijgelegen woningen van hen verkeerd heeft beoordeeld. Deze afstand is volgens [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen aanzienlijk minder dan de afstand van ruim 12 meter tot aan het verste gelegen punt van de ORAC’s waar het college in het herstelbesluit van uitgaat. [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] verwachten dat het gebruik van de ORAC’s op geringe afstand van hun woningen zal leiden tot hinder, zoals zwerfafval en stankoverlast. Daarmee zal ook ongedierte worden aangetrokken. Verder zorgen de (ondergrondse) containers voor de inzameling van huishoudelijk afval - in het bijzonder de glascontainers - voor geluidsoverlast, wat versterkt wordt door de ligging van de Müllerpier aan een binnenhaven. Daarnaast voeren [appellant B] en anderen en [appellant C] aan dat de ORAC’s een gevaar opleveren voor spelende en schoolgaande kinderen. Tot slot vrezen [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] voor zichthinder en aantasting van de uitstraling van de omgeving. [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen wijzen er in dat verband op dat de gevels van de nabijgelegen woningen ter hoogte van locatienummer 23.184 volledig van glas zijn en juist dit ook de enige woningen op de Müllerpier zijn die op straatniveau liggen. De Afdeling werkt dit hieronder per onderdeel uit.
- Afstanden en geuroverlast
14.1.  De Afdeling overweegt dat de nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van de ORAC’s, onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven te staan. In het "Programma van eisen locaties ondergrondse containers" is onder meer vermeld dat containers niet te dicht bij woningen mogen worden geplaatst. Weliswaar is de afstand tussen de ORAC’s met locatienummer 23.184 tot aan de nabijgelegen woningen maar een aantal meters. Hetzelfde geldt voor de afstand tussen de ORAC’s met locatienummer 23.171 en de woning van [appellant C]. Maar, los van de vraag wat de afstand precies is, mocht het college de aangewezen locaties toch geschikt achten. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de toelichting van het besluit volgt dat (stank)overlast bij ORAC’s tot een minimum wordt beperkt door het technisch ontwerp van de inworptrommel en de relatief koele opslag van het afval onder straatniveau. Ook worden de inwerpzuilen en ORAC’s periodiek intern gereinigd en zijn deze voorzien van een sensor die ervoor zorgt dat de ORAC’s al geleegd worden voordat ze helemaal vol zijn. Daarmee wordt overlast van zwerfafval en ongedierte voorkomen. Als er toch afval naast de ORAC’s wordt geplaatst is dit een kwestie van handhaving.
De betogen slagen niet.
- Geluidsoverlast
14.2.  Vast staat dat bij gebruik van de ORAC’s, zeker de glascontainers, weliswaar tot op zekere hoogte geluid vrijkomt. Maar de Afdeling acht het niet aannemelijk dat de ORAC’s voor [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen zo veel geluidhinder oplevert dat het college de locaties om die reden niet geschikt hebben mogen achten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het hier gaat om een stedelijke omgeving aan het water en het legen van de ORAC’s maar van korte duur is. Verder wordt geluidsoverlast zo veel mogelijk voorkomen, omdat de containerkleppen zijn voorzien van kunststofbeschermers die het geluid met het snel dichtgaan van de klep dimmen.
De betogen slagen niet.
- Spelende en schoolgaande kinderen
14.3.  Over de stelling dat de ORAC’s een gevaar opleveren voor kinderen, overweegt de Afdeling als volgt. Niet kan worden ontkend dat het gebruik van (ondergrondse) afvalcontainers voor de inzameling van huishoudelijk afval, met name glascontainers, situaties in de hand kunnen werken die een gevaar kunnen opleveren voor kinderen. Maar de Afdeling acht het, gelet op de stukken wat besproken is op de zitting, niet aannemelijk dat de ORAC’s op de aangewezen locaties zo onveilig zijn voor de spelende en schoolgaande kinderen dat het college hierom niet voor de aangewezen locaties had mogen kiezen.
De betogen slagen niet.
- Zichthinder en aantasting van de omgeving
14.4.  Over de gevolgen voor het zicht en de uitstraling van de omgeving, overweegt de Afdeling het volgende. Volgens het Programma van eisen mag een locatie voor ondergrondse afvalcontainers in het zicht liggen van een woning. Verder volgt uit de toelichting bij het besluit dat van de ondergrondse containers alleen de inworptrommel en de ombouw daarvan zichtbaar is, waardoor de containers het straatbeeld maar in beperkte mate beïnvloeden. Daarom heeft het college aan deze beroepsgronden geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen.
De betogen slagen niet.
- Conclusie over de geschiktheid van de locaties
14.5.  Daarom is de Afdeling van oordeel dat het college de aangewezen locaties geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC’s.
De betogen slagen niet.
Noodzaak glascontainers
15.     [appellant B] en anderen betogen dat het niet noodzakelijk is dat er glascontainers ter hoogte van Müllerkade 183 en ter hoogte van Sint-Jobskade 800 worden geplaatst, omdat er aan het begin van de Müllerpier al glascontainers staan.
15.1.  Het college heeft toegelicht dat het uit een oogpunt van goede spreiding van glascontainers wenselijk is dat er extra glascontainers worden geplaatst. Hierdoor krijgen de bewoners van de Müllerpier de beschikking over glascontainers op kortere afstand van hun woning, wat de bereidheid vergroot om gebruikt glas in een glascontainer te gooien. Daarom mocht het college naar het oordeel van de Afdeling de plaatsing van glascontainers ter hoogte van Müllerkade 183 en ter hoogte van Sint-Jobskade 800 nodig vinden.
Het betoog slaagt niet.
Aantal containers ontoereikend?
16.     [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen voeren aan dat het aantal ORAC’s niet toereikend is voor de ruim 550 woningen op de Müllerpier.
16.1.  Het college heeft, onder verwijzing naar kengetallen, toegelicht dat het aantal ORAC’s is afgestemd op het aantal huishoudens dat gebruik zal maken van de locaties. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en anderen hebben aangevoerd geen reden om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen.
De betogen slagen niet.
Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving
17.     [appellant A] en anderen betogen dat het bestreden besluit in strijd met artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: het Bbl) is, omdat de ORAC’s de omgeving zullen ontsieren. [appellant B] en anderen voeren aan dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 4.21 en 4.23 van de Omgevingswet vanwege de schending van de eisen van een gezonde en veilige leefomgeving, in het bijzonder in verband met het omgevingsgeluid.
17.1.  In deze zaak gaat het om een besluit waarin verschillende locaties zijn aangewezen voor de plaatsing van een ORAC’s. Zoals hiervoor onder 12-12.4 is overwogen, is dit besluit genomen op grond van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009. Deze verordening is gebaseerd op artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dit is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten, waaronder het Bbl, in de Wet milieubeheer gebleven en daarmee - anders dan [appellant A] en anderen en [appellant B] en anderen veronderstellen - niet overgegaan in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. De Omgevingswet en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten, waaronder het Bbl, vormen dus in dit geval niet het juridisch kader voor de beoordeling van het bestreden besluit. Alleen al daarom slagen de betogen niet.
Overstromingen
18.     [appellant A] en anderen betogen dat ondergrondse afvalcontainers een milieurisico vormen bij overstromingen, omdat ze kunnen vollopen met rivierwater, waardoor het afval in de natuur kan terechtkomen.
18.1.  Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat ondergrondse afvalcontainers in een afgesloten ruimte zitten, zodat er geen risico is dat er afval in de natuur terecht kan komen, mocht er sprake zijn van een overstroming. Naar het oordeel van de Afdeling geeft het betoog van [appellant A] en anderen geen aanleiding om aan de juistheid van dat standpunt te twijfelen. Van een reële kans op een verspreiding van afval in de natuur waar zij op wijzen is ook niet gebleken.
Het betoog slaagt niet.
Alternatieve locaties
19.     [appellant A] en anderen en [appellant C] betogen dat er alternatieve locaties zijn die geschikter zijn om de ORAC’s te plaatsen. Zij wijzen op het uitbreiden van de bestaande ORAC’s bij woongebouw De Herder, het plein van de artsenpost nabij Sint-Jobskade 6 en het grasveld voor het Maaspodium. Volgens [appellant A] en anderen en [appellant C] kan, voor zover voor deze locaties kabels en leidingen verlegd zouden moeten worden, hiervoor toestemming worden gevraagd bij de nutsbedrijven. In dat verband wijzen [appellant A] en anderen op het herstelbesluit, waarin is vermeld dat voor de aangewezen locaties met nummer 23.171, 23.184 en 24.362 nutsbedrijven ook toestemming hebben verleend voor het plaatsen van de ORAC’s. [appellant C] wijst erop dat de locatie bij woongebouw De Herder niet op een route voor schoolgaande kinderen ligt.
19.1.  Hiervoor heeft de Afdeling al geoordeeld dat het college de aangewezen locatie geschikt heeft mogen achten. De Afdeling zal beoordelen of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de aangewezen locatie vanwege de voorgestelde alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zo veel geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
19.2.  Het college heeft gesteld dat de alternatieve locaties minder geschikt zijn dan de aangewezen locaties.
Over het woongebouw De Herder heeft het college toegelicht dat deze locatie niet geschikt is, omdat de locatie ter hoogte van stadsverwarming ligt en het plaatsen achter de bestaande putten daar niet mogelijk is vanwege de reikwijdte van de kraan van het ledigingsvoertuig.
Over de artsenpost nabij Sint-Jobskade 6 heeft het college gesteld dat deze locatie niet mogelijk is vanwege ondergrondse infrastructuur en het niet mogelijk is om de ORAC’s verder van de rijweg te plaatsen vanwege de reikwijdte van de kraan van de wagen om de containers te legen.
Over de locatie bij het gras van het Maaspodium heeft het college erop gewezen dat deze locatie niet geschikt is vanwege ondergrondse infrastructuur en de onbereikbaarheid van deze locatie voor de wagen om de containers te legen.
19.3.  De Afdeling stelt vast dat het college de voor- en nadelen van de aangewezen en de alternatieve locaties heeft bezien, tegen elkaar heeft afgewogen en voor de aangewezen locaties heeft gekozen omdat deze locaties volgens hem op de minste bezwaren stuiten. De Afdeling is van oordeel dat het college, omdat het op dit punt beleidsruimte heeft, deze keuze zo heeft mogen maken. De alternatieve locaties zijn niet zo veel geschikter voor plaatsing van de ORAC dat het college één van die locaties had moeten verkiezen boven de aangewezen locaties.
De betogen slagen niet.
Inpassing in omgeving
20.     [appellant B] en anderen en [appellant C] betogen dat de ORAC’s niet goed inpassen in de omgeving, mede gelet op het feit dat de gemeente de Müllerpier groener wil maken.
20.1.  Deze betogen gaan over uitvoeringsaspecten die niet aan de orde kunnen komen in het kader van het herstelbesluit. Dat besluit gaat alleen over de locatiekeuzes.
Waardevermindering
21.     [appellant A] en anderen en [appellant C] betogen dat de plaatsing van de ORAC’s op de Müllerpier leidt tot waardevermindering van hun woningen.
21.1.  Dat de plaatsing van ORAC’s tot waardevermindering van hun woningen zou leiden, hoefde geen reden te zijn voor het college om af te zien van de aanwijzing van de locaties. [appellant A] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van hun woningen als gevolg van de plaatsing van de ORAC’s in betekende mate zal dalen. Eigenaren die menen door de aanwijzing van een locatie schade te lijden kunnen wel een verzoek om schadevergoeding doen bij het college.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie herstelbesluit
22.     De conclusie is dat de gebreken die in de tussenuitspraak in het besluit van 25 november 2024 zijn geconstateerd, in het gewijzigde aanwijzingsbesluit zijn hersteld. De beroepen van rechtswege tegen het herstelbesluit zijn ongegrond.
Proceskosten
Besluit van 25 november 2024
23.     Het college moet de proceskosten van [appellant A] en anderen en [appellant C] vergoeden.
Bij [appellant A] en anderen is al op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht één punt voor het verschijnen van de rechtsbijstandsverlener op de zitting toegekend in zaak met nr. 202408046/2/R1. Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2687. Die zitting was dezelfde als de zitting waarover het in deze zaak gaat. De reiskosten kosten komen niet tweemaal voor vergoeding in aanmerking.
Voor de verletkosten van [appellant C] gaat de Afdeling uit van het forfaitair vastgestelde aantal van zes uren. Verder wordt aan haar een bedrag aan reiskosten toegekend.
24.     Bij [appellant B] en anderen is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Herstelbesluit
25.     De Afdeling ziet, gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb onder 10.2, aanleiding het college te veroordelen in de bij [appellant A] en anderen en [appellant C] gemaakte proceskosten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart de beroepen van [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 25 november 2024 over de aanwijzing van de locaties 23.170, 23.171, 23.184 en 24.362 voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers gegrond;
II.       vernietigt dat besluit;
III.      verklaart de beroepen [appellant A] en anderen, [appellant B] en anderen en [appellant C] tegen het herstelbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 4 augustus 2025 over een nieuw aanwijzingsbesluit voor de locaties 23.170, 23.171, 23.184 en 24.362 voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers ongegrond;
IV.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van:
-  € 1.360,50 voor [appellant A] en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
-  € 2.435,73 voor [appellant C], waarvan € 2.267,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
- € 187,00 voor [appellant A] en anderen, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 187,00 voor [appellant B] en anderen, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 194,00 voor [appellant C].
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Lammers, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lammers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
890