ECLI:NL:RVS:2021:2023
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- N. Verheij
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige uitzetting van Ahmadi-vluchteling naar Pakistan en schadevergoeding
Appellant, een lid van de Ahmadi-minderheid uit Pakistan, werd op 18 februari 2015 onrechtmatig uitgezet naar Pakistan terwijl hij toen al vluchtelingenstatus had. Na zijn uitzetting werd hij aangevallen door moslimfundamentalisten en moest hij onderduiken. Hij vluchtte vervolgens via diverse landen terug naar Nederland.
De rechtbank Limburg kende appellant een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige uitzetting, maar stelde de wettelijke rente verkeerd vast. Zowel de staatssecretaris als appellant gingen in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dat de uitzetting onrechtmatig was, omdat appellant op dat moment vluchtelingenstatus bezat, en dat de schade aan de staatssecretaris kan worden toegerekend.
De Afdeling oordeelde dat appellant recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens de ernstige normschending en het risico op onmenselijke behandeling, ook al was het psychisch letsel niet objectief bewezen. De materiële schade werd beperkt vastgesteld vanwege onvoldoende bewijs. De wettelijke rente moet worden berekend vanaf de uitzettingsdatum. De proceskosten in hoger beroep werden aan appellant toegekend.
Uitkomst: De uitzetting van appellant was onrechtmatig en hij krijgt een schadevergoeding met wettelijke rente vanaf 18 februari 2015.