ECLI:NL:RVS:2025:2867
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.H. van Breda
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep minister in asielzaak erkend vluchteling Griekenland
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een zaak betreffende een asielaanvraag van betrokkene, die door Griekenland als vluchteling is erkend. Na een prejudiciële verwijzing aan het Hof van Justitie en het arrest QY, werd duidelijk dat de minister niet gebonden is aan de Griekse vluchtelingenstatus, maar wel contact moet opnemen met de Griekse autoriteiten en hun informatie mee moet wegen.
De rechtbank had geoordeeld dat het besluit van de minister een motiveringsgebrek vertoonde omdat zij de erkenning door Griekenland niet had betrokken. De minister handhaafde haar hoger beroep mede om te laten toetsen of de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden, maar de Afdeling oordeelde dat dit niet het geval was en dat de minister geen belang meer had bij het hoger beroep.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep van de minister niet-ontvankelijk. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene verviel daarmee eveneens. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, die verband houden met de behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister is niet-ontvankelijk verklaard en de minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.