AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging rechtbankuitspraak over vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht
Bij besluit van 18 november 2024 legde de minister van Asiel en Migratie aan appellant een vrijheidsontnemende maatregel op. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 3 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaarde. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank onterecht het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat het tweede beroep van appellant als een eerste beroep had moeten worden opgevat. Hierdoor was het hoger beroep ontvankelijk en werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Inhoudelijk beoordeelde de Afdeling het beroep en concludeerde dat de duur van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd was met de toepasselijke richtlijn, omdat appellant minder dan dertien weken in grensdetentie verbleef. Er was geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, maar het beroep wordt inhoudelijk ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 maart 2025 in zaak nr. NL25.7574 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 november 2024 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 3 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Ontvankelijkheid
1. De opgeworpen rechtsvraag over de juistheid van de door de rechtbank gekozen grondslag voor haar uitspraak (artikel 96 vanPro de Vw 2000) heeft de Afdeling bij uitspraak van 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1857, onder 2 tot en met 3.5, beantwoord. Uit de overwegingen in die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de rechtbank een onjuiste rechtsmiddelenclausule heeft vermeld onder haar uitspraak en dat de Afdeling bevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant ontvankelijk is.
Beoordeling van het hoger beroep
2. Appellant klaagt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 24 april 2025, onder 3.4, had de rechtbank het feitelijk tweede ingestelde beroep van appellant moeten opvatten als een eerste beroep om de rechtmatigheid van het opleggen en voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel te toetsen (artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000). Dit betekent dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet inhoudelijk heeft beoordeeld.
In zoverre slaagt de grief.
2.1. Wat appellant voor het overige aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift voor het overige geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie hoger beroep en bespreking beroepsgronden
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
4. Appellant betoogt dat de duur van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Dit betoog slaagt niet. Appellant heeft namelijk minder dan dertien weken in grensdetentie verbleven. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, onder 3.1 tot en met 3.8.
5. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig te achten.
Conclusie beroep
6. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 maart 2025 in zaak nr. NL25.7574;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij apellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.