ECLI:NL:RVS:2025:3075
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak over vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht
Bij besluit van 18 november 2024 legde de minister van Asiel en Migratie aan appellant een vrijheidsontnemende maatregel op. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 3 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaarde. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank onterecht het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat het tweede beroep van appellant als een eerste beroep had moeten worden opgevat. Hierdoor was het hoger beroep ontvankelijk en werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Inhoudelijk beoordeelde de Afdeling het beroep en concludeerde dat de duur van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd was met de toepasselijke richtlijn, omdat appellant minder dan dertien weken in grensdetentie verbleef. Er was geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, maar het beroep wordt inhoudelijk ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.