ECLI:NL:RVS:2025:1857
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.M. Wissels
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid hoger beroep en rechtmatigheid grensdetentie Keniaanse vreemdeling
Betrokkene, een Keniaanse vreemdeling, werd op 24 november 2024 in grensdetentie geplaatst na zijn asielaanvraag op Schiphol. De rechtbank had op 7 januari 2025 geoordeeld dat de Afdeling bestuursrechtspraak niet bevoegd was het hoger beroep van de minister tegen de voortzetting van de maatregel te behandelen vanwege de gekozen wettelijke grondslag (artikel 96 Vw Pro 2000).
De minister stelde dat de Afdeling wel bevoegd was, omdat het tweede beroep feitelijk als een eerste beroep op grond van artikel 94 Vw Pro 2000 moest worden gezien, mede gelet op de voorlopige voorziening die de eerdere uitspraak schorste. De Afdeling bevestigde dat het systeem van rechterlijke toetsing van vrijheidsontnemende maatregelen in de Vw 2000 en de Opvangrichtlijn vereist dat vervolgberoepen als eerste beroepen worden behandeld om een toetsing met redelijke tussenpozen mogelijk te maken.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank de verkeerde wettelijke grondslag had gekozen en dat het appelverbod niet van toepassing is. Vervolgens verwierp de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie onrechtmatig was tussen 19 december 2024 en 2 januari 2025, verwijzend naar eerdere uitspraken. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.