ECLI:NL:RVS:2025:3368
Raad van State
- Herziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak over voortduren vrijheidsontnemende maatregel
Verzoeker heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek ingediend tot herziening van de uitspraak van 24 april 2025, waarin het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard.
Verzoeker betoogt dat de Afdeling ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moest worden aangemerkt en dat de rechtbank daarom binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting had moeten houden. Verzoeker stelt dat hieraan consequenties hadden moeten worden verbonden.
De Afdeling stelt vast dat verzoeker pas op 24 april 2025 bekend werd met het feit dat zijn beroep als eerste beroep moest worden aangemerkt, maar dat de rechtbank hem reeds op 27 december 2024 had gevraagd of hij een zitting wenste. Verzoeker gaf daarop aan geen bezwaar te hebben tegen schriftelijke afdoening. Hierdoor had het niet houden van een zitting binnen veertien dagen niet tot een andere uitspraak kunnen leiden.
Op grond hiervan voldoet het verzoek tot herziening niet aan de voorwaarden van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en wordt het verzoek afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen omdat de nieuwe feiten niet tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.