ECLI:NL:RVS:2025:6265

Raad van State

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
202504529/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening bestuursrechtelijke uitspraak over vreemdelingenrecht

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde een verzoek om herziening van een uitspraak van 23 juli 2025, waarin een eerder herzieningsverzoek was afgewezen. Volgens vaste rechtspraak wordt een dergelijk verzoek opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak van 24 april 2025.

De Afdeling toetste of er nieuwe feiten of omstandigheden waren die vóór de oorspronkelijke uitspraak bestonden maar pas daarna bekend werden, en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Het verzoeker stelde dat hij bezwaar zou hebben gemaakt tegen een schriftelijke afdoening als hij had geweten dat zijn beroep als eerste beroep moest worden aangemerkt, maar dit werd niet als een nieuw feit of omstandigheid beschouwd.

Daarom wees de Afdeling het verzoek om herziening af en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer H.G. Sevenster op 22 december 2025.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

Datum uitspraak: 22 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, in zaak nr. 202503124/1/V3, ECLI:NL:RVS:2025:3368.
Procesverloop
De Afdeling heeft met de hiervoor genoemde uitspraak van 23 juli 2025 het verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1857, afgewezen.
Bij brief van 24 juli 2025 heeft verzoeker, vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, de Afdeling verzocht om herziening van de uitspraak van de uitspraak van 23 juli 2025.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1407) wordt een verzoek om herziening van een uitspraak waarbij een verzoek om herziening is afgewezen, opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak. De Afdeling zal het verzoek om herziening daarom opvatten als een nieuw verzoek om herziening van de uitspraak van 24 april 2025.
2.       De Afdeling kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Dat kan alleen maar als er feiten of omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, waar een verzoeker pas ná de uitspraak achter is gekomen. En dan hadden die omstandigheden ook nog tot een andere uitspraak moeten kunnen leiden, als de Afdeling er op tijd van had geweten. De redenen die verzoeker geeft in het herzieningsverzoek, namelijk dat hij wel bezwaar zou hebben gehad tegen een schriftelijke afdoening als hij had geweten dat zijn beroep als eerste beroep moest worden aangemerkt, zijn niet zulke feiten of omstandigheden.
3.       De Afdeling wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025
846-1122