ECLI:NL:RVS:2025:3420
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek op grond van twijfel aan identiteit en herkomst ondanks Ranov-vergunning
Appellante, houder van een Ranov-verblijfsvergunning sinds 2007, verzocht om naturalisatie maar dit verzoek werd door de staatssecretaris afgewezen vanwege twijfel aan haar identiteit en herkomst. Deze twijfel was gebaseerd op een taalanalyse van Team Onderzoek Land en Taal (TOELT) uit 2005, waaruit bleek dat haar Arabisch niet eenduidig te herleiden viel tot Soedan maar mogelijk tot Eritrea.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de staatssecretaris terecht mocht verwachten dat appellante haar identiteit en herkomst onderbouwt met documenten, ondanks de vrijstelling voor Ranov-vergunninghouders. Appellante voerde onder meer aan dat de taalanalyse niet inzichtelijk en onvoldoende gemotiveerd was, maar de Afdeling volgde de rechtbank in het oordeel dat de analyse zorgvuldig tot stand was gekomen en begrijpelijk was gemotiveerd.
De Afdeling benadrukte dat het bestuursorgaan mag afgaan op deskundigenadvies mits dit zorgvuldig en begrijpelijk is en dat de staatssecretaris aan zijn vergewisplicht had voldaan door nadere reacties van TOELT te vragen. Appellante slaagde er niet in de gerede twijfel weg te nemen met een contra-expertise. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd vanwege gerede twijfel aan identiteit en herkomst.