Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3452

Raad van State

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
23 juli 2025
Zaaknummer
BRS.25.000466
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:110 AwbArt. 15 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering minister

De minister van Asiel en Migratie wees op 22 oktober 2024 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 april 2025 het besluit vernietigde wegens onvoldoende motivering door de minister, en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van de uitspraak.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat de minister bij de beoordeling van de humanitaire situatie in Jemen, in het kader van artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn, niet deugdelijk had gemotiveerd hoe zij de situatie en de door betrokkene overgelegde informatie had meegewogen.

De Afdeling concludeerde dat de rechtbank terecht had geoordeeld en verwierp het hoger beroep van de minister. Betrokkene voerde geen nieuwe gronden aan tegen de uitspraak van de rechtbank. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €907,00. De uitspraak werd op 25 juli 2025 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de vernietiging van het afwijzingsbesluit en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.

Uitspraak

BRS.25.000466
Datum uitspraak: 25 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 april 2025 in zaak nr. NL24.44703 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 2 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.S. Nizamoeddin, advocaat in Voorburg, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Bij uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister de beoordeling in het beleid in paragraaf C7/19.4.2 van de Vc 2000 of in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Gelet op deze uitspraak van de Afdeling, onder 4.2, 6 en 6.1, heeft de rechtbank dus terecht overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe zij de slechte humanitaire situatie in Jemen in combinatie met de andere door betrokkene overgelegde informatie over het meest actuele geweldsniveau en andere relevante omstandigheden weegt in de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
1.1.        De grief slaagt niet.
2.        In de schriftelijke uiteenzetting voert betrokkene geen gronden aan die zich richten tegen de uitspraak van de rechtbank, maar reageert hij uitsluitend op de door de minister ingediende grief. Dit stuk is dus geen incidenteel hogerberoepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb (zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:519, onder 2).
3.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025
986