ECLI:NL:RVS:2025:4153
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 11 november 2022 is afgewezen wegens het niet overleggen van alle vereiste documenten zoals voorgeschreven in het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 31 augustus 2023 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 april 2024 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister mocht afzien van het horen van appellant, omdat deze geen volledige stukken heeft overgelegd noch een steekhoudende verklaring gaf voor het ontbreken daarvan. Het hoger beroep bevat geen nieuwe vragen die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.