ECLI:NL:RVS:2025:4221
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht ondanks ziekteverweer
Appellante kreeg een boete van €1.250 opgelegd omdat zij niet binnen de gestelde termijn aan haar inburgeringsplicht voldeed. Zij voerde aan dat zij drie maanden aaneengesloten ziek was geweest, waardoor de inburgeringstermijn verlengd had moeten worden. Zij overhandigde een medisch dossier en stelde dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten doen. Tevens stelde zij dat zij niet werd bijgestaan in de bezwaarprocedure en daarom niet tijdig een medische machtiging kon overleggen.
De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelden dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende de relevante periode ten minste drie maanden aaneengesloten ziek was. Het vrijwilligerswerk na afloop van de termijn was geen reden voor verlenging. Ook was de staatssecretaris niet verplicht tot nader onderzoek, omdat appellante geen medische machtiging had verstrekt ondanks herhaalde verzoeken. De boete was in overeenstemming met het beleid en er was geen sprake van verminderde verwijtbaarheid of onevenredige financiële gevolgen.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €1.250 wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht.