ECLI:NL:RVS:2025:425
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding voor zakkingsschades aan aanbouw door bodembeweging gaswinning
De zaak betreft een geschil over schadevergoeding voor zakkingsschades aan een aanbouw van een woning in Harkstede, die volgens appellant het gevolg zouden zijn van bodembeweging door gaswinning. De Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen kende aanvankelijk een schadevergoeding toe, maar het Instituut Mijnbouwschade Groningen wees de vergoeding voor de zakkingsschades af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stond centraal of het Instituut het wettelijke bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW correct had toegepast en weerlegd. Het bewijsvermoeden houdt in dat schade aan gebouwen vermoed wordt veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten, tenzij het Instituut met een deskundigenadvies aannemelijk maakt dat een andere oorzaak exclusief de schade heeft veroorzaakt.
De deskundigen concludeerden dat de zakkingsschades voortkomen uit het verschil in fundering en bouwperiode tussen de woning en de aanbouw, waarbij de aanbouw op een andere fundering staat en daardoor anders zet. Dit schademechanisme werd door appellant onvoldoende gemotiveerd bestreden, ook niet met het tegenadvies van Vergnes Expertise. De Raad van State onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het bewijsvermoeden terecht is weerlegd, waardoor de schade niet aan bodembeweging door gaswinning kan worden toegerekend.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van schadevergoeding voor zakkingsschades wordt bevestigd.