ECLI:NL:RVS:2025:4307
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering paspoortaanvraag wegens verlies Nederlanderschap door verkrijging Amerikaanse nationaliteit
Appellant, geboren in de Verenigde Staten met zowel de Nederlandse als Amerikaanse nationaliteit, vroeg in augustus 2021 een Nederlands paspoort aan. De minister stelde de aanvraag buiten behandeling omdat appellant het Nederlanderschap op 19 februari 2021 van rechtswege verloor, doordat haar ouders toen vrijwillig de Amerikaanse nationaliteit verkregen en afstand deden van de Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de aanvraag weigerde, omdat appellant op het moment van aanvraag geen Nederlander was. De minister had een zorgvuldige evenredigheidsbeoordeling uitgevoerd, waarbij zij onder meer de hypothetische aard van toekomstige plannen van appellant en haar banden met Nederland meenam. De rechtbank vond dat het verlies van het Nederlanderschap geen onevenredige gevolgen had volgens het Unierecht en internationale verdragen.
In hoger beroep stelde appellant dat zij onder een uitzonderingsgrond viel en dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met haar belangen als minderjarige Unieburger. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze argumenten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling benadrukte dat de uitzonderingsgrond niet geldt voor verkrijging van een andere nationaliteit door geboorte en dat de minister een deugdelijke beoordeling had gemaakt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de paspoortaanvraag bevestigd wegens verlies van het Nederlanderschap.