ECLI:NL:RVS:2025:4492
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsdocument voor gemeenschapsonderdaan met verblijfsrecht in Zweden
Betrokkene, een Somalische gemeenschapsonderdaan en verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind, vroeg om een verblijfsdocument in Nederland. De staatssecretaris wees dit af omdat betrokkene een geldig verblijfsrecht in Zweden heeft, waar ook haar zoon en partner kunnen verblijven.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom betrokkene geen afgeleid Unierechtelijk verblijfsrecht toekomt, mede vanwege onvoldoende aandacht voor de relatie tussen de zoon en zijn Nederlandse vader.
De minister ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank zich ten onrechte opnieuw over dezelfde rechtsvraag had gebogen, terwijl er geen nieuwe feiten of gewijzigde rechtsregels waren. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank het gezag van gewijsde van haar eerdere uitspraak niet had gerespecteerd en verklaarde het hoger beroep gegrond. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard vanwege het niet respecteren van het gezag van gewijsde; de minister moet een nieuw besluit nemen.