ECLI:NL:RVS:2025:4745

Raad van State

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
3 oktober 2025
Zaaknummer
202407470/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens niet-tijdig besluit minister

Referent stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een besluit van de minister van Asiel en Migratie. Tijdens de procedure nam de minister alsnog het besluit waarop het hoger beroep betrekking had, waarna referent het hoger beroep introk en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het alsnog nemen van het besluit door de minister wordt aangemerkt als tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor verviel het belang bij een uitspraak op het hoger beroep.

De Afdeling veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten die referent in verband met het hoger beroep had gemaakt, waarbij een wegingsfactor van 0,5 werd toegepast omdat het hoger beroep uitsluitend over het niet tijdig nemen van het besluit ging.

De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 453,50, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van € 453,50 aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

202407470/1/V1.
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb).
Procesverloop
Referent, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.41577.
De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.
Referent heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij referent opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1.       Referent heeft het hoger beroep op 27 maart 2025 ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van Pro de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan referent is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door haar toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2.       Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, wanneer de minister, zoals in dit geval, hangende het hoger beroep in verband met het niet tijdig nemen van een besluit, dit besluit alsnog neemt, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb (uitspraken van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5). Dat het hoger beroep gaat over de door de rechtbank bepaalde beslistermijn, laat onverlet dat het belang van een uitspraak is komen te vervallen, doordat de minister een besluit heeft genomen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij referent in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025
977