ECLI:NL:RVS:2025:4753
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- M. den Heyer
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ondeugdelijke motivering herhaalde asielaanvraag
Appellant werd op 10 augustus 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat werd aangenomen dat haar herhaalde asielaanvraag uitsluitend was bedoeld om de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat appellant haar verzoek om een voorlopige voorziening pas op 8 augustus 2025 indiende om uitzetting te voorkomen, terwijl uit het dossier blijkt dat dit verzoek al op 21 juli 2025 werd ingediend. Tevens is van belang dat de motivering van de minister onvoldoende is, omdat appellant al kort na de definitieve beslissing in haar eerste asielprocedure een herhaalde aanvraag deed en deze aanvraag onderbouwde met bewijsstukken.
De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond, en heft de maatregel van bewaring op met ingang van 2 oktober 2025. Tevens kent zij een schadevergoeding toe aan appellant en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven en appellant krijgt een schadevergoeding toegekend.