ECLI:NL:RVS:2025:4929
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing compensatie afgeloste private schulden in hersteloperatie toeslagen
Deze zaak betreft het hoger beroep van een gedupeerde ouder uit de toeslagenaffaire tegen het besluit van de minister van Financiën om haar aanvraag voor compensatie van afgeloste private schulden gedeeltelijk af te wijzen. De schulden betroffen bedragen aan Eneco en een kinderopvangorganisatie, die zij met een ontvangen bedrag uit de Catshuisregeling heeft afgelost.
De minister wees de compensatie voor de schuld aan de kinderopvang af en kende slechts een deel van de schuld aan Eneco toe, omdat de overige schulden niet voldeden aan de eis dat zij vóór 1 juni 2021 opeisbaar moesten zijn. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de wetgever bewust deze eis heeft gesteld en dat de bestuursrechter dit niet kan toetsen aan algemene rechtsbeginselen zonder bijzondere omstandigheden.
De appellant stelde dat de regeling onevenredig is, omdat zij door voortdurende aflossingen op oudste schulden feitelijk dezelfde oude schulden bleef dragen die niet gecompenseerd werden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat dit een gebruikelijke wijze van aflossen is en dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een eenvoudige regeling zonder verfijnde onderscheidingen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die toetsing aan algemene rechtsbeginselen rechtvaardigen.
Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van compensatie voor afgeloste schulden bevestigd.