ECLI:NL:RVS:2025:5001
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens intrekking besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen een termijn alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.
Nadat de minister alsnog een besluit op de aanvraag had genomen, stelde appellant hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank. De Raad van State oordeelde dat door het genomen besluit het doel van de procedure was bereikt en appellant geen belang meer had bij het hoger beroep, waardoor dit niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Raad van State overwoog verder dat de minister de proceskosten van appellant dient te vergoeden omdat zij aan appellant tegemoet is gekomen door het besluit te nemen tijdens de procedure. De vergoeding werd vastgesteld op € 453,50, rekening houdend met een wegingsfactor van 0,5.
Het besluit van de minister van 3 juli 2025 kwam volledig tegemoet aan de aanvraag van appellant, die de inhoud daarvan niet betwistte. Hierdoor ontstond geen beroep van rechtswege. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 20 oktober 2025 door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister inmiddels een besluit heeft genomen, en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.