Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:517

Raad van State

Datum uitspraak
12 februari 2025
Publicatiedatum
12 februari 2025
Zaaknummer
202400730/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen bestuurlijke boetes wegens omzetten woonruimte zonder vergunning

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 12 juli 2022 bestuurlijke boetes op aan appellant voor het zonder vergunning omzetten van een zelfstandige woonruimte in meerdere onzelfstandige woonruimtes. Appellant diende bezwaarschriften in, maar deze werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij te laat waren ingediend. De bezwaarperiode liep af op 23 augustus 2022, terwijl de bezwaren pas op 24 augustus 2022 werden ontvangen.

Appellant voerde aan dat de termijnoverschrijding te wijten was aan de vakantieperiode, maar het college en de rechtbank oordeelden dat vakantie geen verschoonbare reden is voor het overschrijden van de bezwaartermijn. Het hoger beroep bevestigt deze lijn en verwijst naar jurisprudentie waarin vakantie niet als bijzondere omstandigheid wordt aangemerkt die termijnoverschrijding rechtvaardigt.

De Raad van State concludeert dat de rechtbank gemotiveerd heeft geoordeeld en dat de gronden van appellant in hoger beroep geen nieuwe inzichten bieden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren bevestigd.

Uitspraak

202400730/1/A2.
Datum uitspraak: 12 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), wonend in Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2024 in zaken nrs. 22/5328 en 22/5329 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluiten van 12 juli 2022 heeft het college bestuurlijke boetes aan [appellant] opgelegd voor het zonder vergunning omzetten van een zelfstandige woonruimte in meerdere onzelfstandige woonruimtes.
Bij besluiten van 29 september 2022 heeft het college de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 18 januari 2024 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2024, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.J. Cheung, is verschenen.
Overwegingen
1.       [appellant] heeft tegen de besluiten van het college van 12 juli 2022 bezwaarschriften ingediend. Het college heeft zich in de besluiten van 29 september 2022 op het standpunt gesteld dat de bezwaren niet-ontvankelijk zijn. Het college ontving de bezwaarschriften op 24 augustus 2022, terwijl de termijn voor het indienen van bezwaar afliep op 23 augustus 2022. Het college heeft de door [appellant] aangevoerde reden dat de bezwaarperiode in de vakantie viel geen verschoonbare reden geacht voor overschrijding van de termijn voor het indienen van bezwaar. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken van de termijn van zes weken en dat de omstandigheid dat de besluiten zijn genomen tijdens de vakantieperiode niet zeer uitzonderlijk is.
2.       De rechtbank heeft in navolging van het college geoordeeld dat vakantie geen verschoonbare reden is voor termijnoverschrijding en heeft de door [appellant] ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
3.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 10 tot en met 15 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt eraan toe dat, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, niet volgt dat vakantie als een bijzondere omstandigheid moet worden aangemerkt die termijnoverschrijding rechtvaardigt. Ook de enkele omstandigheid, zoals gesteld door [appellant], dat het in dit geval gaat om een tweepartijengeschil maakt niet dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025
488-1153