ECLI:NL:RVS:2025:529
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om overkomst naar Nederland wegens niet-voldoen aan speciale voorziening
De appellant, een Afghaanse bewaker die van 2007 tot 2010 voor de Nederlandse krijgsmacht werkte, verzocht de minister van Buitenlandse Zaken om overkomst naar Nederland voor zichzelf en zijn gezin. De minister wees dit verzoek af omdat de appellant niet voorkomt in de bij de Kamerbrief van 11 oktober 2021 vastgestelde speciale voorziening, die alleen meldingen en hulpverzoeken tot die datum omvat.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt dit oordeel. De appellant voerde aan dat er sprake is van dwingende nationale en internationale verplichtingen en dat de afwijzing niet evenredig is, mede vanwege fundamentele rechten. Ook stelde hij dat hij al vóór de uiterste datum bekend was bij Defensie en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden.
De Afdeling oordeelt dat de speciale voorziening buitenwettelijk begunstigend beleid is met ruime beleidsruimte voor de minister. De afbakening tot 11 oktober 2021 is niet onredelijk of onevenredig, en de vrees voor onmenselijke behandeling vormt geen bijzondere omstandigheid. Het gelijkheidsbeginsel verplicht de minister niet om eerdere ambtelijke misslagen te herhalen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot overkomst naar Nederland bevestigd.