ECLI:NL:RVS:2025:5355
Raad van State
- Hoger beroep
- N.H. van den Biggelaar
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vergunning voor kamerbewoning door studenten in Rotterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende op 25 mei 2020 een vergunning voor kamerbewoning voor maximaal zes studenten aan een woning in Rotterdam. Appellante, een buurtbewoonster, maakte bezwaar tegen deze vergunning en stelde dat kamerbewoning geen positieve invloed heeft op het woonmilieu en de leefbaarheid, zoals vereist in de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellante voerde aan dat het college ten onrechte niet alle relevante factoren had meegewogen, zoals de aanwezigheid van veel studentenhuizen in de omgeving en de ervaren overlast door buurtbewoners.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht heeft geoordeeld dat het Voorbereidingsbesluit niet van toepassing is op deze vergunning en dat het college geen onderscheid hoeft te maken tussen woonmilieu en leefbaarheid. Het college heeft bovendien de bestaande situatie, de afwezigheid van overlastmeldingen op het adres en het vrijwilligerswerk van bewoners meegewogen. De Afdeling vond de motivering van het college voldoende en verwierp de bezwaren van appellante.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor kamerbewoning door studenten wordt bevestigd.