202301590/1/A3.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante A] en [appellant B], respectievelijk gevestigd en wonend in Ermelo,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 januari 2023 in zaak nr. 21/1031 in het geding tussen:
[appellante A] en [appellant B]
en
de burgemeester van Ermelo.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2020 heeft de burgemeester een vergunning aan [partij] verleend voor de exploitatie van [restaurant] aan de [locatie] in Ermelo.
Bij besluit van 18 januari 2021 heeft de burgemeester het door [appellante A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de vergunning ingetrokken en een nieuwe exploitatievergunning verleend.
Bij uitspraak van 25 januari 2023 heeft de rechtbank het door [appellante A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellante A] en [appellant B] gezamenlijk hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[partij] heeft een reactie gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 7 april 2025 behandeld, waar [appellante A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta, advocaat in Deventer, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. I.E. van Duuren en mr. F.T.J. van Veluw-Kruijsbergen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De burgemeester heeft op 28 juli 2020 op grond van artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening Ermelo 2020 (hierna: de APV) een exploitatievergunning aan [partij] verleend voor het exploiteren van [restaurant] aan de [locatie] in Ermelo. [appellante A] en [appellant B] hebben daar bezwaar tegen gemaakt. De burgemeester heeft dat bezwaar in zijn besluit van 18 januari 2021 gegrond verklaard en de exploitatievergunning ingetrokken. Met dat besluit heeft hij tevens een nieuwe exploitatievergunning verleend. Daartegen zijn [appellante A] en [appellant B]opgekomen. De rechtbank heeft het door hen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Waarom zijn [appellante A] en [appellant B] het niet met de rechtbank eens?
2. [appellante A] en [appellant B] betogen dat de burgemeester de exploitatievergunning had moeten weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft dat volgens hen niet onderkend. [restaurant] heeft een terras en op grond van het bestemmingsplan "De Driehoek 2016" is dat ter plaatse niet toegestaan. In de bestemmingsomschrijving staat namelijk niet dat de grond tevens bestemd is voor een terras. Er zijn daarnaast onvoldoende parkeerplaatsen aanwezig, waardoor ook in strijd wordt gehandeld met het bestemmingsplan "Parkeernormen".
Daarnaast had de burgemeester de exploitatievergunning moeten weigeren omdat de woon- en leefsituatie in de omgeving van [restaurant] op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. [appellante A] en [appellant B] wijzen er daarbij op dat het logisch is dat er tijdens de coronajaren geen meldingen van overlast zijn geweest. De rechtbank heeft daarom te eenvoudig aangenomen dat de burgemeester geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om een exploitatievergunning te verlenen.
Beoordeling van het hoger beroep
Ontvankelijkheid van het hoger beroep van [appellant B]
3. [appellant B] is verhuisd, zodat eerst beoordeeld moet worden of zij nog belang heeft bij deze procedure. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Indien iemand stelt dat hij schade heeft geleden en tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat hij die schade daadwerkelijk en als gevolg van het in geding zijnde besluit heeft geleden, heeft diegene in beginsel ook belang bij inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4059, onder 4.1 en 4.3. De uitkomst van deze procedure heeft voor [appellant B]geen feitelijke betekenis meer omdat zij is verhuisd. Dat zij hoger beroep heeft ingesteld op het moment dat zij nog wel in de omgeving van [restaurant] woonde, zoals zij tijdens de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, verandert daar niets aan. Verder heeft zij niet gesteld dat zij schade heeft geleden. Het hoger beroep voor zover dat is ingesteld door [appellant B] is daarom niet-ontvankelijk. Is de exploitatie van de openbare inrichting in strijd met het bestemmingsplan "De Driehoek 2016"?
4. Het betoog dat de exploitatievergunning in strijd met bestemmingsplan "De Driehoek 2016" is verleend, heeft [appellante A] tijdens de zitting bij de Afdeling ingetrokken. De Afdeling zal over deze beroepsgrond daarom geen oordeel geven.
Is de exploitatie van de openbare inrichting in strijd met het bestemmingsplan "Parkeernormen"?
5. Artikel 2:28, tweede lid, van de APV luidt: "De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit." Gelet op de formulering van deze bepaling gaat het alleen om de vraag of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan en dus niet of de openbare inrichting in zijn geheel daarmee in strijd is. Dat betekent dat de toetsing van de exploitatievergunning aan het bestemmingsplan beperkt is tot de vraag of de desbetreffende activiteit in overeenstemming is met de activiteit die ter plaatse door het bestemmingsplan (tegenwoordig het omgevingsplan) wordt toegestaan. Dit houdt in dat de burgemeester moet toetsen of de bestemmingsomschrijving/doeleindenomschrijving van de geldende bestemming en de daarbij behorende categorie horeca-aanduidingen de exploitatie van de openbare inrichting toestaat. Een verdergaande toetsing aan het bestemmingsplan is bij verlening van een exploitatievergunning dus niet aan de orde. De burgemeester hoeft daarom niet te toetsen of de exploitatie in overeenstemming is met de overige planregels, zoals de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan, waaronder de regels die voorschrijven hoeveel parkeergelegenheid er moet zijn. Die beoordeling is op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (tegenwoordig de Omgevingswet) voorbehouden aan het college van burgemeester en wethouders.
6. Het bestemmingsplan "De Driehoek 2016" staat in dit geval ter plaatse de vestiging van een horecabedrijf toe. De burgemeester heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat de ter plaatse geldende bestemming zich niet verzet tegen het verlenen van een exploitatievergunning. Dat het bestemmingsplan "Parkeernormen" eisen stelt aan het aantal parkeerplaatsen op de desbetreffende locatie en dat daar in dit geval niet aan wordt voldaan, valt gelet op wat onder 5 is overwogen buiten de door de burgemeester uit te voeren beoordeling. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
7. Als op de desbetreffende locatie niet aan de regels uit het bestemmingsplan wordt voldaan, dan kan verzocht worden om handhaving van het bestemmingsplan. [appellante A] heeft dat in dit geval ook gedaan. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4508. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat het gebruik van het perceel voor wat betreft het aantal parkeerplaatsen in strijd is met het bestemmingsplan "Parkeernomen" en dat het gebruik van het perceel voor het terras niet in strijd is met het bestemmingsplan "De Driehoek 2016". Het betoog slaagt niet.
Wordt de woon- en leefsituatie op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloed?
8. Het betoog dat de burgemeester de exploitatievergunning had moeten weigeren omdat de aanwezigheid van [restaurant] de woon- en leefsituatie in de omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt, heeft [appellante A] tijdens de zitting bij de Afdeling ingetrokken. De Afdeling zal over deze beroepsgrond daarom geen oordeel geven.
Conclusie
9. Het hoger beroep van [appellante A] is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
Proceskosten
10. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant B] niet-ontvankelijk;
II. verklaart het hoger beroep van [appellante A] ongegrond;
III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
1071